Klachten bij voedselallergie

maurizio-di-iorio-human-being-12 asdKlachten bij voedselallergie
Door Stichting Voedselallergie, 2007

De klachten bij voedselallergie zijn individueel bepaald. Iedereen heeft zijn eigen, specifieke klachten. Na inname van een bepaald voedingsmiddel treden steeds dezelfde klachten op. Wel is het zo, dat dezelfde persoon op verschillende voedingsmiddelen met verschillende klachten kan reageren. De ernst van de klachten kan dus per persoon en per voedingsmiddel bij deze persoon variëren van mild tot zeer ernstig.

Welke klachten kunnen wijzen op voedselallergie?
De volgende klachten kunnen symptomen zijn van voedselallergie:
Huid:
jeuk, uitslag, galbulten, eczeem, oedeem (ophoping van vocht in bijvoorbeeld oogleden, mond, lippen);
Luchtwegen:
astmatische klachten (piepen, kortademigheid), neusklachten, oogklachten;
Maagdarmstelsel:
prikkelend gevoel in de mond, braken, diarree of juist verstopping (obstipatie), misselijkheid, weigeren van borst- of flesvoeding;
Hart- en vaatstelsel:
anafylactische shock;
Andere klachten:
excessief huilen (huibaby), groeiachterstand, gedragsklachten.

Bij voedselallergie kan een heel klein beetje van het ziekmakend voedingsmiddel (het allergeen) al een reactie uitlokken. Zo kan een kind met een koemelkallergie bijvoorbeeld al flink last krijgen als het een lepeltje aflikt, waarmee door koffie met melk is geroerd.

Welke onderzoeken zijn mogelijk?

Voedselallergie is soms moeilijk vast te stellen, omdat de klachten ook bij veel andere ziektebeelden voor kunnen komen. Als hulpmiddel kan men een voedseldagboek gebruiken.

Het onderzoek naar voedselallergie bestaat uit:

Vragen over het vóórkomen van allergische aandoeningen in de familie (familie-anamnese);
Vragen over het dagelijkse voedingspatroon (voedingsanamnese);
Vragen over een vermoeden van relatie tussen voeding en klacht;
Vragen over de ziektegeschiedenis (anamnese);
Lichamelijk onderzoek, afhankelijk van de klachten.

Hierna kan besloten worden tot verder (allergologisch) onderzoek, meestal in de vorm van:

1.IgE en RAST
Deze laboratoriumtest, waarvoor wat bloed wordt afgenomen, heeft in zoverre een beperkte waarde dat een positieve uitslag wijst op een allergische aanleg zonder dat met zekerheid gezegd kan worden dat de voedingsmiddelen die positief in de RAST test scoren ook daadwerkelijk de klachten veroorzaken. Omgekeerd sluit een negatieve RAST test een allergie voor een bepaald voedingsmiddel niet 100% uit. Toch heeft deze test een duidelijke plaats in de diagnostiek en zal deze vaak gebruikt worden in combinatie met de andere onderzoeken.

2.Een huidpriktest
Hierbij worden druppels van extracten van mogelijke allergenen op de huid gedruppeld, en prikt men erdoorheen. Na 15-20 minuten wordt de prikplaats op de huid bekeken en beoordeeld op een reactie.
Beoordeling van een huidtest bij eczeem vereist kennis en ervaring.

3.Een prik-prik test
Bij deze huidtest prikt men eerst in het verse product en dan met dezelfde prikker in de huid. Zie verder huidpriktest.

4.Eliminatie-provocatie
In de dagelijkse praktijk is dit onderzoek doorslaggevend bij het aantonen of ontkennen van het bestaan van voedselallergie.

Het verdachte voedingsmiddel wordt hierbij gedurende een periode van 4 tot 6 weken weggelaten. Als de klachten verdwijnen, wordt het ‘verdachte’ voedingsmiddel opnieuw gegeven. Komen dezelfde klachten weer terug, dan is een allergie voor het desbetreffende voedingsmiddel aangetoond. Soms wordt een diagnostisch werkend diëtist bij deze fase van onderzoek betrokken. Het is aan te bevelen een diëtist in te schakelen om het tijdelijke dieet tijdens het onderzoek te begeleiden, zeker als er meerdere voedingsmiddelen tegelijkertijd moeten worden vermeden.

Bij (het vermoeden van) een ernstige reactie dient een provocatietest onder medische begeleiding plaats te vinden.

5.Dubbelblind placebo gecontroleerd onderzoek
Hierbij krijgt de patiënt meerdere testvoedingen. Daarbij weten zowel de arts als de patiënt niet welke van de testvoedingen het voedselallergeen bevat. De ene testvoeding bevat wel het te testen voedselallergeen, de andere testvoeding niet. Gedurende de test worden oplopende hoeveelheden getest. Deze test vindt, nog zeer beperkt, plaats op een speciale afdeling van een ziekenhuis. Pas achteraf weet men wanneer het verdachte voedingsmiddel is getest of de “nep”voeding (placebo). Bij eczeemklachten is de reactie op de voeding vaak niet onmiddelijk duidelijk.

Diagnose
Op grond van de resultaten van een aantal van de hiervoor genoemde onderzoeken kan de diagnose gesteld worden. Dit kan al op zeer jonge leeftijd (enkele weken oud). Vaak is dan een bloedtest al voldoende. Het zo vroeg mogelijk stellen van de diagnose is belangrijk om tijdig preventieve adviezen te kunnen geven.

Behandeling
Bij de behandeling van voedselallergie moeten de voedingsmiddelen waarop gereageerd is uit de voeding geschrapt worden. Dat is vaak moeilijk en er blijft een geringe kans op contact met het voedselallergeen. Daarom kunnen medicijnen nodig zijn.

Ook kunnen medicatie en aanvullende maatregelen nodig zijn voor de behandeling van tegelijkertijd aanwezige, andere allergische klachten (bijvoorbeeld druppels bij oogklachten ten gevolge van pollenallergie).

Het dieet
Bij voedselallergie is het volgen van een dieet altijd nodig. Dit dieet zal soms aangepast worden, omdat in de loop van de tijd bepaalde allergieën minder kunnen worden en/of nieuwe allergieën kunnen ontstaan.
Begeleiding door een ervaren arts is daarom noodzakelijk. Daarnaast wordt bijna altijd ook een diëtist ingeschakeld, die in de gaten kan houden of de totale voeding nog wel volwaardig is. Een diëtist weet welke voedingsmiddelen goede vervangers zijn en zij kan adviseren bij keuze van een merkartikelenlijst en toepassing van deze lijst. De merkartikelenlijst kan gebruikt worden bij het boodschappen doen.

Bij zuigelingen is het geven van borstvoeding gedurende vier tot zes maanden altijd de eerste keuze. In borstvoeding zitten stoffen die een beschermende werking hebben. Bij een koemelkallergie zal de moeder tijdens de borstvoedingsperiode een koemelkvrij dieet moeten volgen. Indien borstvoeding niet mogelijk of niet wenselijk is, wordt hypoallergene zuigelingenvoeding voorgeschreven. Ook kan geadviseerd worden om de bijvoeding op een later tijdstip te starten of in een andere dan de gebruikelijke volgorde te introduceren.

Bij oudere kinderen en volwassenen is het voedingspatroon vaak heel uitgebreid en wordt het dieet in het begin vaak als streng ervaren. Begeleiding door een diëtist is sterk aan te raden om de voeding zo gezond en gevarieerd mogelijk te houden.

Bij voedselallergie is het belangrijk om kruisbesmetting te voorkomen. Hiermee bedoelen we het “besmetten” van de voeding door knoeien, spatten, kruimelen, het niet goed apart houden van de dieetvoeding en vieze handen of bestek en serviesgoed. Zo kan men toch onbedoeld de allergenen binnenkrijgen die een reactie veroorzaken.

Medicatie
Als met het houden van een dieet niet alle klachten voorkomen kunnen worden, zijn er verschillende medicijnen om de klachten te verminderen.

Antihistaminica verminderen de klachten die het gevolg zijn van de vrijgekomen histamine. Het middel kan preventief gebruikt worden of bij acute allergische klachten om de allergische reactie te remmen. Antihistaminica mogen in het algemeen pas vanaf de leeftijd vanaf één jaar voorgeschreven worden.

Natriumcromoglicaat is een geneesmiddel dat als voorzorgsmaatregel gebruikt kan worden om reacties op verborgen allergenen te blokkeren, zoals bijvoorbeeld bij een etentje buitenshuis. De waarde van dit medicament is beperkt: het werkt mogelijk alleen bij kleine, (verborgen) hoeveelheden van het allergeen in de voeding.

Soms krijgt men medicatie mee, die alleen gebruikt wordt bij een allergische reactie. Om een matige, niet levensbedreigende reactie te onderdrukken kunnen tabletten of een drankje worden voorgeschreven (antihistaminica);v Bij het risico van een snelle, levensbedreigende reactie (anafylactische shock) zal een auto-injector worden voorgeschreven (bijvoorbeeld de Epipen of Anapen). Dit is een met adrenaline gevulde injectiepen, die speciaal ontwikkeld is om door niet-medisch geschoolden gebruikt te kunnen worden. Meer informatie hierover kan men vinden in de brochure “ Anafylaxie”.

Aanvullende maatregelen
Naast voedselallergie kan men ook last hebben van inhalatie-allergieën, zoals een allergie voor huisstofmijt, dieren of pollen. Sanering (aanpassen van de leefomgeving) kan dan nodig zijn om klachten te beperken of te voorkomen. Ook het (dagelijks) gebruik van medicijnen kan nodig zijn, bijvoorbeeld pillen, drankjes, zalf of puffers).

Kruisallergie

Het lichaam kan soms geen onderscheid maken tussen eiwitten, omdat deze sterk op elkaar lijken. Dit kan tussen voedingsmiddelen onderling of tussen voedingsmiddelen en pollen en/of tussen voedingsmiddelen en latex. Deze reactie noemt men kruisallergie.

Bijvoorbeeld: het appelallergeen lijkt zoveel op het allergeen van de berk, dat men niet alleen op de berk reageert, maar ook op de appel. 70% van de voedselallergieën zijn in verband te brengen met pollen (paraberksyndroom). De meest voorkomende klacht hierbij is tinteling en irritatie van mond, keel en ogen. Dit noemt men het Oraal Allergie Syndroom (O.A.S.)

Voorbeelden van kruisallergieën zijn:
Berk: appel, hazelnoot, wortel, aardappel, selderij, kers, peer, walnoot;
Bijvoet: selderij, wortel, venkel, peterselie, koriander, mosterd;
Gras: aardappel, tomaat, tarwe, pinda;
Koemelk: eitenmelk, schapenmelk, rundvlees;
Pinda: boomnoten, soja bonen, groene bonen, groene erwten, linzen, lupine;
Linzen: soja, pinda;
Latex: banaan, avocado, kiwi, kastanje, papaja, vijgen (aardappel, tomaat).
Varkensvlees: Kat.

Preventie

Als er een allergische aandoening in het gezin vóórkomt, is er een mogelijk risico dat de baby ook allergische klachten zal gaan ontwikkelen. Met preventieve maatregelen probeert men te bereiken dat het kind minder klachten zal krijgen, ook op langere termijn.

De voornaamste richtlijnen voor preventie bij voedselallergie zijn momenteel:

Niet roken tijdens zwangerschap;
Het volgen van een dieet tijdens zwangerschap is niet zinvol. Gebruik een normale hoeveelheid zuivelproducten tijdens de zwangerschap en eet verder zo gevarieerd mogelijk;
Niet roken na de geboorte;
Borstvoeding gedurende minimaal 4, maar liefst 6 maanden is de beste preventie;
Dieet tijdens borstvoedingsperiode lijkt, zoals onderzoek momenteel uitwijst, niet altijd zinvol. Overleg of in uw situatie een dieet tijdens de borstvoeding aan te raden is. Is dit het geval, laat u dan adviseren door een diëtist omdat het van groot gelang is een volwaardige voeding te gebruiken;
Wanneer borstvoeding niet mogelijk is, overleg dan welke zuigelingenvoeding u het best kunt gebruiken;
Bijvoeding vanaf zes maanden, in overleg met de arts/diëtist.

Niet-allergische voedselovergevoeligheid

Wat is Niet-allergische voedselovergevoeligheid?
Bij niet-allergische voedselovergevoeligheid (ook wel intolerantie genoemd) is het afweersysteem niet rechtstreeks betrokken (dus geen allergenen) en ontstaan de reacties op verschillende manieren (bijvoorbeeld door enzymtekorten). De stoffen die een reactie kunnen veroorzaken noemen we triggers. Een voorbeeld is het conserveermiddel sulfiet.

Erfelijkheid
Bij niet-allergische voedselovergevoeligheid speelt erfelijkheid zelden of nooit een rol.

Klachten bij niet-allergische voedselovergevoeligheid
Bij niet-allergische voedselovergevoeligheid kan vaak een geringe hoeveelheid van een voedingsmiddel wel verdragen worden, maar normale porties geven klachten. Men kan bijvoorbeeld een koekje waar wat melk in verwerkt zit wel verdragen, maar drie koekjes of een glas melk is teveel. Dat geeft buikpijn.

Of men heeft bijvoorbeeld geen last van een snufje kaneel door de rode kool, maar eet men dan ’s avonds ook nog een appelflap waar kaneel in verwerkt zit, dan krijgt men weer last van huiduitslag. De grens waarbij klachten ontstaan (drempelwaarde) is voor iedereen anders.

De klachten kunnen (tijdelijk) toenemen na bijvoorbeeld het doormaken van een (maagdarm)infectie, een stressvolle tijd (bijvoorbeeld bij een nieuwe baan) of in spannende tijden voor het kind (zoals het sinterklaasfeest). Ook lichamelijke inspanning en het gebruik van alcohol kan van invloed zijn op de hoogte van de drempelwaarde.

De klachten bij allergische en niet-allergische voedselovergevoeligheid vertonen veel overeenkomsten. Over het algemeen verlopen de klachten bij niet-allergische voedselovergevoeligheid milder en ernstige reacties komen zelden voor.

Welke klachten zouden kunnen wijzen op niet-allergische voedselovergevoeligheid?
De volgende klachten kunnen symptomen zijn van voedselovergevoeligheid:
Huid:
jeuk, uitslag, netelroos, oedeem (ophoping van vocht in bijvoorbeeld oogleden, mond, lippen);
Luchtwegen:
astmatische klachten (piepen, kortademigheid), neusklachten, oogklachten;
Maagdarmstelsel:
misselijkheid, braken, diarree of juist verstopping (obstipatie),
Andere klachten:
hoofdpijn, vermoeidheid, gedragsklachten, spier- en gewrichtsklachten.

Onderzoeken
Niet-allergische voedselovergevoeligheid is moeilijk vast te stellen omdat:

De klachten ook bij veel andere ziektebeelden voor kunnen komen;
Er maar zeer beperkt onderzoek gedaan kan worden.
Omdat bij niet-allergische voedselovergevoeligheid het afweersysteem niet betrokken is, worden er geen antistoffen gemaakt. Gericht onderzoek kan daarom alleen plaats vinden door eliminatie-provocatie;
Er sprake is van een drempelwaarde die voor iedereen anders is en die bovendien afhankelijk is van bepaalde factoren (zoals bij ziekte of stress);
De hoeveelheid triggers in dezelfde voedingsmiddelen is niet altijd constant (bijvoorbeeld het histaminegehalte in worst varieert);
De combinatie van voedingsmiddelen van invloed kan zijn (bijvoorbeeld een glas wijn gaat wel, maar een glas wijn en wat oude kaas erbij geeft klachten).

Het onderzoek naar niet-allergische voedselovergevoeligheid bestaat uit:

Vragen over de ziektegeschiedenis (anamnese);
Lichamelijk onderzoek, afhankelijk van de klachten;
Vragen over het dagelijkse voedingspatroon (voedingsanamnese);
Eliminatie-provocatie dieet (diagnostisch dieet).

Bij een vermoeden van niet-allergische voedselovergevoeligheid is het belangrijk dat de arts naar een diëtist verwijst voor:

De voedingsanamnese, waarbij gelet wordt op:
– evenwicht in de voeding: teveel suikers en te weinig voedingsvezels kunnen een slechte darmfunctie veroorzaken, hetgeen van invloed is op de overgevoeligheid;
– volwaardigheid van de voeding: tekorten aan bepaalde voedingsstoffen kunnen invloed hebben op de lichamelijke conditie;
– stoffen in de voeding die een reactie kunnen veroorzaken (triggers);

Eliminatie-provocatie dieet
Hierbij worden eerst groepen verdachte voedingsmiddelen uit de voeding weggelaten. Dit dieet wordt altijd voor een korte periode ongeveer zes weken gevolgd (eliminatie). De klachten zouden dan moeten verdwijnen of sterk verminderen. Gebeurt dit niet, dan zijn de weggelaten voedingsmiddelen niet de boosdoener en kunnen zij gewoon weer gebruikt worden en heeft een dieet geen zin. Indien er een duidelijke verbetering heeft plaats gevonden, voegt men de verdachte voedingsmiddelen groepsgewijs weer aan de voeding toe (provocatie). Zo wordt duidelijk welke voedingsmiddelen de boosdoeners zijn.

Diagnose en behandeling

De arts kan, na bovengenoemde onderzoeken, in overleg met de diëtist, de niet-allergische voedselovergevoeligheid vaststellen.

Bij de behandeling staat het dieet voorop. Daarnaast kunnen medicijnen en aanvullende maatregelen soms nodig zijn om bepaalde klachten te behandelen.

Bij niet-allergische voedselovergevoeligheid kan de gevoeligheid na verloop van tijd verminderen of zelfs verdwijnen. Na een klachtenvrije periode zal daarom weer gekeken worden of het gevolgde dieet nog noodzakelijk is.

Vormen van niet-allergische voedselovergevoeligheid
De meest bekende vormen van niet-allergische voedselovergevoeligheid zijn:

Overgevoeligheid voor histamine en tyramine;
Lactose-intolerantie;
Fructose-intolerantie;
Additieven, met name Ve-tsin (glutamaat, E621) en sulfiet.

Overgevoeligheid voor histamine en tyramine

Men kan reageren op histamine en tyramine die van nature in de voeding zitten. Histamine tyramine en nog enkele stoffen worden samen ook wel biogene aminen genoemd. Deze stoffen kunnen ook in het menselijk lichaam worden gevormd en afgebroken in de darmen. Ze zijn betrokken bij allerlei processen in het lichaam, zoals de spijsvertering, de bloedsomloop en de ademhaling.
Bij overgevoeligheid voor biogene aminen functioneert het afbraaksysteem in de darmen onvoldoende en ontstaan er klachten. Hierbij speelt de drempelwaarde een grote rol.

Onderzoek en diagnose
Met een eliminatie-provocatietest kan de diagnose worden gesteld. De diëtist speelt hierbij een belangrijke rol.

Behandeling
De behandeling bestaat uit een dieet, waarbij de voedingsmiddelen die klachten geven en rijk zijn aan één of meer van de genoemde stoffen zoals histamine, tyramine of andere biogene aminen uit de voeding worden weggelaten. Begeleiding door een diëtist is daarbij noodzakelijk.

Lactose-intolerantie

Bij lactose-intolerantie reageert men op de melksuiker (lactose) in de melk. Het is dus een andere aandoening dan koemelkallergie, waarbij men op de eiwitten uit de melk reageert.

Lactose moet gesplitst worden door het enzym lactase, zodat de brokstukjes opgenomen kunnen worden uit de darmen in het bloed. Bij lactose-intolerantie heeft men een tekort aan het enzym lactase. Lactose kan daardoor onvoldoende uit de darmen worden opgenomen. De klachten die dan ontstaan zijn buikpijn, winderigheid of (schuimende) diarree na het gebruik van normale porties melkproducten. Het gebruik van kleine hoeveelheden lactose geeft zelden klachten.

Onderzoek en diagnose
Met behulp van een waterstof-ademtest in het ziekenhuis kan de diagnose worden gesteld.

Behandeling
De behandeling bestaat uit en lactosevrij dieet. Begeleiding door en diëtist is daarbij noodzakelijk.

Fructose-intolerantie

Bij een fructose-intolerantie (malabsorptie) is er sprake van een enzymstoornis waardoor de vruchtensuikers uit de voeding niet verwerkt kunnen worden in de dunne darm. De in de dikke darm opgehoopte en achtergebleven vruchtensuikers brengen daar een soort gistingsproces op gang, met buikpijn, windergheid en soms diarree tot gevolg.

Onderzoek en diagnose
Met behulp van een waterstof-ademtest in het ziekenhuis kan de diagnose worden gesteld.

Behandeling
De behandeling bestaat uit een dieet, waarbij fructose en saccharose uit de voeding worden geschrapt. Begeleiding door een diëtist is daarbij noodzakelijk.

Additieven

Dit zijn aan de voeding toegevoegde stoffen, zoals conserveringsmiddelen of kleurstoffen. Er is veel discussie over de rol van additieven bij niet-allergische voedselovergevoeligheid.

Van Ve-tsin (glutamaat, E621) en sulfiet is aangetoond dat het een overgevoeligheidsreactie kan veroorzaken. Vooral in gedroogd fruit, wijn en mosselen kunnen hoge gehalten aan sulfiet voorkomen.
Er zijn onderzoeken die aantonen dat additievenovergevoeligheid mogelijk afhankelijk is van enzymen.

Bron: Stichting Voedselallergie

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: